Bevrijdingssloop 2015

Bevrijdingsvuurestafette 2015 - verhalen bij het vuur
 
Het is zover. Na weken van voorbereidingen staat de bevrijdingsvuurestafette van 2015 voor de deur. We gaan een wawa-estafette doen: Wageningen-Warffum.
 
Op maandag 4 mei rond half zeven 's avonds komen veel lopers en misschien nog meer aanhangers samen bij het gemeentehuis. Even later staan we binnen, waar burgemeester Marijke van Beek ons in aanwezigheid van alle wethouders uitvoerig toespreekt. Ze is vol bewondering maar waarschuwt ook dat het KNMI 'code geel' heeft afgegeven vanwege onweersdreiging. Daar heeft ze natuurlijk gelijk in, onze burgermoeder. In de tijd van vrede waarin wij leven kunnen we ons de luxe permitteren onze eigen veiligheid op de eerste plaats te zetten.
Na groepsfoto's laten we bij het monument op het Kerkplein het eerste kaarsje achter van de bijna zestig die we onderweg willen plaatsen. Dan klimmen we de bussen in. Roelof Berends, René en Ellen La Crois, René Rijploeg, Diana en Kars Schuiling, Jenny van der Veen, Richard van der Werff en Harma Wieringa zitten in bus 1, ik ben ingedeeld in bus 2, met verder Reinie Heerema, Anneke Krijger, Trijn Tromp, Johan Werkman, Anje Zeilstra, Stephan en Dennis van der Wal en Robert Werkman.
Het feit dat mijn ouders allebei de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, en zeer bewust ook, maakt mij tot een loper van de tweede generatie. De meerderheid in mijn busje zal dat zijn denk ik, maar die drie jonge gasten die helemaal achterin kruipen doen dat vast niet voor niets: dat zijn zonder twijfel lopers van de derde generatie, die moeten we in de gaten houden!
 
Naast Anneke, die rijdt, zitten Reinie en ik voorin. We bekijken Reinies fotoboek van de viering van vijftig jaar bevrijding, toen zij Canadese veteranen begeleidde, en vragen ons af hoeveel van hen nu, twintig jaar later, nog in leven zijn. Onze ernstige overpeinzingen worden wreed en onverbiddelijk verstoord als er een walkietalkie op het dashboard verschijnt. Sofort bemächtigt sich Johan het apparaat, stelt zich dem anderen Busse als Bernhard vor en begint in steenkool-Deutsch ein Gespräch over 'Neushoornen'. Zelf heb ik part noch deel aan de conversatie maar ik word toch al snel Heinrich. Der Heinrich doet er aber ein totales Schweigen zu. Als we even later een McDonald's voorbij rijden zingt Robert een aria over de frikandel en vult tenor Stephan zalvend aan dat hij hem 'met een klodder mayo' wil. Had ik het niet gezegd? En ook in bus 1 dreigt de derde generatie de macht over te nemen. Als we stoppen bij tankstation Haerst, dichtbij Ommen, horen we van de grootse plannen die de loopsters uit die bus hebben met beha's. Jawel, hun eigen. Je begrijpt dat ik die plannen hier niet kan vermelden. 'Dat blijft in de bus,' zegt Anneke op zulke momenten.
Al deze en andere ordeverstoringen ten spijt houden we om acht uur, onder het luide gekras van de roekenkolonie in de bomen boven ons, onze twee minuten stilte. Daarna volgen er uitleg over het GPS-navigatiesysteem dat we gaan gebruiken, en een briefing over de rollen van bus, fietser en loper.
Onze opzet is dat we in Wageningen de fakkel met het bevrijdingsvuur gezamenlijk in ontvangst nemen. Vanaf die ontvangst rennen we dus ook allemaal samen weg, maar eerst alleen nog naar de busjes. Bij de busjes gaan de teams uit elkaar: een loper uit busje 1 begint aan de eerste etappe uit een traject van vijfentwintig kilometer, busje 2 rijdt vooruit naar het eindpunt van dat traject en laat daar zonder te wachten de eerste loper vertrekken. Tot aan Groningen wisselen de lopers elkaar op die manier wel af pér busje, maar niet tússen busjes. Dat doen we om genoeg tijd te hebben om iedereen in zijn of haar eigen tempo te laten lopen en toch alle ongeveer twee-honderd-drieëntwintig kilometers te kunnen afleggen. Zouden we namelijk op elk punt de aankomst van de voorgaande loper willen afwachten, dan zouden we gemiddeld zestien à zeventien kilometer per uur moeten lopen (3:35-3:45/km) en zou elke stop bij een monument, elke vertraging vanwege sanitaire noden, elk fout lopen of wat dan ook, een groot risico betekenen. Kortom: dat zou onhaalbaar zijn.
 
Terug in de bus is het even weer rustig. Dan komt via de walkietalkie de mededeling van Richard dat we rijden over een deel van de route die we straks zullen lopen. We zitten in de buurt van Beekbergen en het is rond negen uur. De zon is net ondergegaan. Donker is het nog niet, maar je merkt wel dat het licht afneemt. In dit begin van de schemering naar buiten kijken en dan bedenken dat we hier in het holst van de nacht weer zullen zijn, maar hardlopend de andere kant op, maakt je even stil. De bus rijdt verder en verder, Richard herkent de zoveelste bocht en praat erover. We moeten dat straks allemaal hollen...
 
In Wageningen kan er geen twijfel over bestaan dat de bevrijdingsceremonie een jaarlijks hoogtepunt is. Temidden van andere loopgroepen wandelen we de Bevrijdingsstraat door, waar etalages verlicht zijn en waar vlaggen hangen. Op het einde staat aan de linkerkant Hotel De Wereld, waar indertijd onderhandelingen over de overgave van de Duitse troepen zijn gevoerd. Voorbij de bocht begint het 5 Mei Plein met daarop het Nationaal Bevrijdingsmonument, de zandstenen sokkel met de bronzen 'Blote Jan'. Het podium is erachter gebouwd, of er omheen als je dat een betere omschrijving vindt.
Nadat Richard en Anneke onze ploeg hebben aangemeld en de officiële groepsfoto geschoten is worden we toegelaten in startfuik 2 in de Generaal Foulkesweg. Nog vóór elf uur staan we klaar. We kunnen het 5 Mei Plein zien, maar omdat het al vrij ver weg is en het podium bovendien net teveel naar links staat, moeten we het toch vooral hebben van de grote videoschermen links en rechts van ons. Een miezerige regenbui begint, paraplu's en regenponcho's verschijnen. We praten nauwelijks, we kijken naar de schermen en soms groeten we (de lopers van de combi-ploeg Artemis/Raitdaiprunners staan vlak achter ons), maar bovenal is dit de tijd van het Grote Wachten.
Vanaf middernacht is die tijd opeens voorbij. Het is dinsdag 5 mei geworden, bevrijdingsdag. Het vuur komt aan, de Wageningse burgemeester Van Rumund en de Zeeuwse Commissaris van de Koning Polman doen hun prettig-korte zegje en de uitreiking van het vuur aan de loopploegen begint. Als eerste roept Van Rumund de ploeg uit Vlissingen bij zich. Die heeft volgens hem de langste afstand voor de boeg, liefst tweehonderdtwintig kilometer, en die afstand is zo gigantisch dat de lopers het eerste deel op de fiets zullen doen. Van Rumund ontgaat het, maar er is een plek aan de Generaal Foulkesweg waar op dat moment hoongelach weerklinkt. Korte tijd later is dat er nog eens, namelijk als Van Rumund Zwollenaren op pad stuurt met een woord van troost over het verlies van de bekerfinale van PEC Zwolle tegen FC Groningen, anderhalve dag geleden.
Nog heel even, dan mag de nummer twintig van de bijna tweehonderd ploegen naar voren: Eemsmond Runners. Als Van Rumund heeft gezegd wat hij vindt dat gezegd moet worden vraagt de aanvoerder van die ploeg of hij ook even mag. Het mag, en Richard wijst er in de microfoon fijntjes op dat 'we' de beker al hebben, nu ook het vuur, en dat we dat volledig lopend naar huis zullen brengen, over de grootste afstand...
Daarna is het drieëntwintig minuten over twaalf en zijn we los. De fakkel blijft niet meteen goed branden, maar met horten en stoten bereiken we de busjes en maken we ons klaar voor de échte start. Op weg naar het eerste vijfentwintigkilometerpunt haalt busje 2 Richard in. Die loopt al.
 
Onder het rijden is er even grote schrik als Robert in het gitdonker en de stromende regen opeens een vreemde gestalte ziet. De beschrijving die hij ervan geeft suggereert een malloot, een verlopen zwerver, óf filmfiguur Catweazle, die immers beide tegelijk is - maar omdat die in het begin van de jaren zeventig op de Nederlandse televisie kwam kan Robert als kind van de derde generatie dat niet weten. Het duurt dágen voordat de ontmoeting nader verklaard kan worden.
In Bennekom, waar het gebeurt, woont Hanneke, nicht van Anneke en getrouwd met Kees. Deze Kees heeft zich er hard voor gemaakt dat in het Bennekomse Bart van der Elstplantsoen een monument zou komen ter herinnering aan zes omgekomen ver­zetsstrijders. Het monument is er, en ondanks het late uur en het hondsberoerde weer staat Kees ernaast, om de Eemsmond Runners op te wachten. Roelof en René ontsteken er het Noord-Groningse kaarsje en Kees zal daar later, op 20 mei, in het Bennekoms Nieuwsblad over publiceren. Wat kan de wereld toch klein zijn. En de gelijkenis met Catweazle was inderdaad treffend, begrijp ik. 'Hij ziet er wel woest uit,' laat Anneke weten, 'maar het is een enorme knuffelbeer.'
 
Afgezien van deze rimpel is het vinden van het vijfentwintigkilometerpunt een eitje, dankzij de tomtom. Vanaf dat punt willen we zo veel mogelijk met het busje naar elk volgend monument vooruit rijden, zodat we snel een kaarsje kunnen aanreiken als de fietser langskomt en de loper zonder belangrijk oponthoud door kan. Papieren op schoot dus, kaarsjes paraat en aan de slag.
Euh. Nou... De globale plaatsaanduiding van de monumenten in de bus is vaak ontoereikend voor de tomtom, en een monument kan onzichtbaar zijn doordat het niet aangelicht is en ook niet in het schijnsel van onze koplampen komt. Dat valt niet mee. Laten we daarom liever het GPS-apparaatje volgen dat de fietser bij zich draagt, waarin de exacte route en alle monumenten nauwkeurig zijn aangegeven. Maar... Hé, dat ding werkt niet best zeg... Regelmatig valt het signaal weg - onder invloed van bomen en misschien ook de zware bewolking, gissen wij - doordat het sinds de start niet snel genoeg de eigen locatie kon bepalen (geen goede 'fix'), veronderstelt later programmeur René.
Wat de reden ook wezen mag, we zijn die eerste uren voortdurend bezig met overleggen, controleren, corrigeren en improviseren. En knoeien. Zelfs beleven we een kort moment waarop loper, fietser en bus elk apart in het donker onderweg zijn en komen we zomaar voor de ingang van het Kröller-Müller Museum te staan, waar we op dit uur van de nacht heus niet naar op zoek zijn. Een bijkomend probleem is trouwens dat we door de straffe wind onze kaarsjes niet aan kunnen steken, of dat ze niet blijven branden. Nee, dat hebben we ons anders voorgesteld. Gelukkig lijdt de sfeer in de bus er absoluut niet onder en lopen we gewoon, al zijn het niet altijd de geplande kilometers.
Rond half drie, het tijdstip waarop in Wageningen de laatste loopploeg vertrekt (!), staan wij met onze bus bij hectometerpaal 12,5 op de Apeldoornseweg. In afwachting van een wissel tussen twee lopers help ik een pad bij het oversteken. Niet dat die erg veel gevaar loopt, momenteel. Het enige verkeer dat we ontmoeten is dat van busjes met andere bevrijdingsvuur-lopers. Tot een uur of zo geleden zwermde het er van, nu komt er nog sporadisch een voorbij.
In de omgeving van Hoenderloo ben ik zelf aan de beurt om te lopen. Heel bijzonder, zo in het donker - in het zó donker. Ik loop met op m'n hoofd een LED-lampje dat een beetje omhoog schijnt, en terwijl ik loop regent het. Tegemoetkomende druppels veranderen in kleine flitsjes die voor m'n gezicht langs naar beneden schieten. Het lijkt op vuurwerk, of op hoe ik me een meteorenstorm voorstel. Ik vind het leuk. Het is er alsof er een grappig schilletje van levendigheid om me heen zit, dat me klein en knus maakt in een verder donkere wereld. Bij mij als kind van de tweede generatie roept het in ieder geval geen associaties op met mitrailleurvuur of iets dergelijks, dat is een groot voordeel.
Kort na mijn eigen lopen fiets ik mee met Robert. De regen is eerder toe- dan afgenomen. Doordat ik tijdens m'n eigen lopen al nat geworden ben krijg ik het nu een tikkeltje koud maar veel stelt het niet voor. De waarschuwingen van de veteranen onder ons, lopers die in 2011 al eens in Wageningen van start gingen en toen een heel koude nacht meemaakten, zijn overbodig gebleken. Met liefst veertien graden is het deze keer ronduit warm.
Robert begint snel en zakt langzaam wat weg. Mij kan het niet schelen. Ik zit op m'n fietsje, kijk naar Robert en mijmer mezelf terug naar oude tijden, naar Lauwerslopen en Batavierenraces van eind jaren tachtig. Het is met pijn in het hart als ik na ruim vier kilometer stop. Móet stoppen, omdat in het busje zojuist is ontdekt dat we precies de verkeerde kant op lopen.
Tien over vier is het, en nog steeds aardedonker. We concluderen dat het zo niet langer gaat. We moeten onderbreken, eerst per bus een 'zeker' punt opzoeken en proberen daar de goede route weer op te pakken. We kiezen de Kasteelweg in Heerde. Op weg erheen neemt de regen af, en zowaar laat de maan zich zien, een prachtige zilveren munt op het harde blauwzwart van de nachtlucht.
Aangekomen in Heerde stuiten we op een wegopbreking waar we niet omheen komen. De tomtom leidt ons in cirkels steeds weer terug en het GPS-toestel werkt nog altijd niet naar behoren. Richard is de grote kenner van de route en René die van de apparaten. Zij zitten allebei in de andere bus. Wegenkaarten zijn er niet in de bus en het donker gunt ons te weinig overzicht om zelf een effectieve omweg te kiezen. Verdorie! We moeten naar een punt nóg verderop. Wapenveld. We komen er en... een nieuwe wegopbreking. Weer rijden we verder en geloof-het-of-niet, daar ligt een derde keer de weg open.
Uiteindelijk kiezen we er voor naar Nieuwleusen te gaan, op honderdvijf kilometer vanaf de start. Zoiets als tachtig kilometer hebben we gelopen. Wrang is dit! Hoe deden onze bevrijders dat zeventig jaar geleden eigenlijk? Trokken ze alleen op als er licht was, hadden de ondergrondse en de Binnenlandse Strijdkrachten  kaarten en andere 'intelligence' aangeleverd, of pikten ze onderweg mensen op die de weg konden wijzen? Gingen ze met hun tanks gewoon door als er in het inktzwarte donker een wegopbreking was? Of een tankgracht, zoals mijn vader nog heeft moeten helpen graven? In ieder geval zullen ze kompassen gehad hebben, om niet de verkeerde kant op te gaan...
 
En René maar twitteren, in busje 1: 'Ploeg twee schijnt verdwaald te zijn op de hooge veluwe.' Jaja. 'Twee vossen gespot.' Mazzelpik! Maar als wij koers zetten naar Nieuwleusen heeft René zelf ook een blokkade achter de rug, al horen we dat pas later.
Hij fietst terwijl Diana loopt, ergens in de buurt van Apeldoorn. Alles gaat goed totdat de GPS een weg aanwijst met een bordje 'verboden toegang'. De kaart -zij wel?!- levert een alternatieve route en na een tijdje moet de bus omrijden en slaan René en Diana een breed pad in. Daar doemen een afgesloten hek en een wachtershuisje op. Niet uit dat huisje maar uit het volstrekte niets verschijnen opeens een man en een vrouw van de marechaussee. De eerste gaat zo'n beetje uitdagend op de weg staan en zegt, om drie uur in de nacht: 'zo, lekker aan het trainen?'
De mare gaat dat René 'wat denk je zelf?' wil antwoorden maar dat Diana hem net op tijd het zwijgen oplegt. Vriendelijke uitleg helpt echter evenmin. Het bevrijdingsvuur komt er niet langs, de kaart moet er opnieuw bij en na een kwartiertje en een belletje zit ook volledig team 1 weer in de bus.
 
Maar terug naar team 2, dat nu bij Nieuwleusen aangekomen is. Het is licht geworden en een deel van het team is de nieuwe dag begonnen met een gehaktbal op een tankstation. Onderweg zijn in de bus nu en dan wat ogen dichtgevallen, maar niet de mijne. Een leven lang al, vind ik de heel vroege ochtend met het eerste en dan langzaam toenemende licht de mooiste tijd van de dag, vooral in het voorjaar. Ben ik eenmaal zo lang wakker gebleven dan kan ik alleen maar genieten en is er voor slaap voorlopig geen ruimte.
Om bijna kwart over zeven mag ik ook weer lopen. Net buiten IJhorst (waar ik zelfs nog nooit van gehoord heb) draaf ik Overijssel uit en Drenthe in, via De Wijk naar Koekange en door naar het viaduct over de spoorlijn Meppel-Hoogeveen. De ochtend is jong, het weer heerlijk en lopen een feest. De warmte en het zon-beschenen verse groen blijven me bij, een pad dat bezaaid is met slakken, een meikever die even meelift op m'n vinger, de molen in De Wijk en twee bezette ooievaarsnesten.
We doen vanochtend een aantal van onze etappes met twee of drie lopers tegelijk, want iedereen wil kilometers inhalen na de verrommelde nacht. Zo bereiken we Westerbork, in de planning opgenomen als het eerste punt sinds Wageningen waarop de beide busjes weer samenkomen.
Westerbork is een beladen plek natuurlijk, het hele jaar door en op 4 en 5 mei zeker. Vandaag zien we er veel mensen wandelen en verzamelen zich tientallen voor het herinneringscentrum dat om tien uur open gaat. Van de meer dan honderdduizend die hier aankwamen in de periode tot zeventig jaar geleden onderscheiden ze zich vooral doordat ze vrijwillig gekomen zijn en na hun bezoek gewoon naar huis zullen gaan, niet naar Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt, Bergen-Belsen of een andere nachtmerrie-locatie.
Wij twijfelen. Een groot aantal van ons is hier voor het eerst en wil graag het voormalige kampterrein bezoeken, met onder meer het Nationaal Monument Westerbork, de omgebogen spoorrails. Maar het ligt niet op de rechte lijn, het is een omweg. Tussen de parkeerplaats en het terrein liggen tweeënhalve extra kilometers die we ook weer terug zullen moeten, en op weg naar Warffum wachten ons nog zestig of zeventig andere. Moeten we dit wel doen? Kan het nog? Na telefonisch overleg met het andere busje besluiten we geen risico te nemen en ons op de doorgaande route te concentreren. Omdat we wel een kaarsje willen plaatsen word ik er op uitgestuurd om alleen te gaan, op de vouwfiets. 'Het is jouw ding,' licht Anneke toe, ten onrechte volgens mij want de suggestie iets achter te laten bij elk monument mag dan van mij gekomen zijn (meen ik), het plan wordt breed gedragen. Enfin, dat doet er niet toe. Met een kaarsje in de hand stap ik op en begin te trappen. Het zadel staat te laag, zelfs voor de dwerg die ik ben, maar ach, denk ik, die tweeënhalve kilometer...
Eigen schuld dus, dat het fietsen me zwaar valt.
Ik rijd over een kronkelend hobbelpad. Voordat ik het monument zelfs maar kan zien trilt de ophanging van de stormlamp los en moet ik haastig onderdelen terugzoeken en weer in elkaar schroeven. Nieuwsgierige omstanders schieten toe en willen meteen helpen als ik vertel waarvoor ik hier ben. Het woord 'bevrijdingsvuur' is voldoende om zelfs op de foto te moeten.
Eindelijk bereik ik het kampterrein, groot, open en met her en der monumenten, tekens, stenen en gebouwen. Ik plaats het kaarsje zo beschut mogelijk binnen de omhoog gekrulde rails maar de wind blijft te sterk. M'n pogingen om het kaarsje aan te steken geef ik op als vijf lucifers de klus niet geklaard hebben en de fiets met stormlamp en al tegen de grond is gewaaid. Vooral dat laatste baart me zorgen. Het 'officiële' vuur zit in die stormlamp en dat moet behouden blijven. Ik ben de hoeder ervan en wil niet dat teveel lampolie weglekt of dat gelekte olie ontbrandt en het beschermglas knapt.
Vastbesloten dat ik hier nog eens weer naar toe moet als ik wel tijd heb, stap ik weer op. Terug op het parkeerterrein zie ik alleen busje 2 en vergeet ik te vragen of busje 1 al een loper heeft afgezet en weer weg is, of nog niet langs is geweest.
 
We rijden nu naar Dennenoord in Zuidlaren. Rond kwart voor twaalf komen we aan. Anneke en Robert gaan lopen, en terwijl mijn speciaal uit Groningen aangevlogen broer Harry foto's maakt zet ik een kaarsje neer bij het monument dat de evacuatie van vijfhonderdachtentwintig patiënten herdenkt. Ze moeten weg in maart 1945, als de Duitsers het complex zelf willen gebruiken. Eerst gaan ze lopend en op boerenkarren naar het station in Vries, en vandaar naar Franeker in 'een gore trein ... die voornamelijk bestaat uit sterk vervuilde beestenwagons, deels onder het bloed' (Dagblad van het Noorden, februari 2013). Een opa van mij is onder de zesenvijftig die de tocht en het verblijf in Franeker niet overleven.
Tussen Midlaren en Glimmen loop ik weer. Fietser Reinie vindt dat ik maar eng dicht langs de rand van het betonplaten-fietspad ga maar dat doe ik vaak en expres, want het voelt lekker. Ondanks lichte vermoeidheid gaat het lopen eigenlijk vanzelf. Ik wip de Appèlbergen in voor het monument voor de slachtoffers van de meistaking in 1943 en stap ergens langs de Rijksstraatweg weer in het busje. Ondertussen is het weer bezig te veranderen. Er komen donkere, loodgrijze luchten achter me, al blijft het nog droog en warm.
 
Naar het Joods Monument aan de Hereweg in Groningen is het niet ver meer. We arriveren er rond half twee, vrijwel tegelijk met de Noord-Groningse versterking: Jan Berends, Gerben Feenstra, Emmy en Marita Klein, René van der Wal en Jan Wieringa lopen mee in de laatste vijfentwintig à dertig kilometer. Ze hebben thee en koffie bij zich en ook de onvermijdelijke blikjes Red Bull verschijnen. Het weer is een van de gespreksonderwerpen. Via haar echtgenoot, die het Bevrijdingsfestival in het Stadspark in goede banen moet leiden, weet Reinie van de dreiging van hagelstenen van een halve centimeter doorsnee. Die bui lijkt echter naar het oosten weg te drijven en we komen weer in beweging. Veruit de meeste lopers gaan nu de stad in, een enkeling blijft nog zitten. Daaronder ben ik, ik wil me sparen voor twee stukken die nog komen.
Het blijkt een misrekening. Ergens op of voorbij de Hereweg beleef ik m'n eerste dip en ga ik op zwart. Als ik weer bij de les ben heeft Johan het busje stilletjes de stad uitgestuurd en heb ik het Walfriduspad en de gelijknamige spoorbrug over het Van Starkenborghkanaal gemist. Voor de tweede keer zelfs, want in 2013 ging 't al eens fout omdat ik toen niet in de gaten had dat de route er over heen zou gaan.
Wat ik ook gemist heb is de oerwereldse stortbui die de lopers korte tijd na het verlaten van de Hereweg over zich heen hebben gekregen en die nog steeds aanhoudt - sterker, die zich langzaamaan ontwikkelt tot een flinke onweersbui en die me alsnog naar de brug brengt, waar we lopers ophalen wanneer het echt gevaarlijk lijkt te worden. Bij het instappen vertelt Dennis dat hij een bliksem zag inslaan in het weiland naast zich.
'Iedereen in de bussen,' twittert René. En even later: 'Toch niet iedereen. Er zit ook een achttal in een boerenschuur. Wel ff zoeken.' Het is een fraaie aanblik, die schapen aan de ene kant van het hek in de schuur, de shirtjes er overheen en de druipende lopers met strakke koppen ervoor. Na een half uurtje is gelukkig het ergste voorbij en hollen de meesten weer verder. Overigens was het op 5 mei 1945 droog! (weerverleden.nl, opgave voor Eelde)
Om helemaal zeker te weten dat we door de vertraging bij Adorp niet te laat in Warffum zullen zijn doen we het stukje tussen Winsum en Rasquert allemaal in de bus: een tegenvaller voor mij nu ik net besloten heb vanaf Winsum weer mee te lopen maar oké, dan moet dat maar vanaf Rasquert. Het is fris en het waait hard, maar het lopen gaat lekker.
Her en der verschijnen wat bekenden die ons op de fiets of met de auto volgen. In Breede wachten twee motorrijders en ongeveer tien kinderen van de basisscholen De Rank en Jansenius de Vries ons op voor het laatste stuk. Dat wordt een stuk van hollen, hobbelen en ho maar want drie kilometer is erg veel, als je weliswaar enthousiast bent, maar ook nog maar elf of twaalf jaar oud, ongetraind en, denk ik als ik sommige koters eens bekijk en hun stap beluister, misschien wel behept met wat overgewicht of platvoeten. Langs het monument voor Benjamin Broekema en de gedenkstenen op de algemene begraafplaats aan de Noorderstraat (waar ik m'n hoogste tempo van vandaag loop als dochtertje Chrisje me met uitgestrekte armen tegemoet rent) bereiken we de Roakeldaishal. De finish!
We arriveren zelfs iets voor de geplande tijd, maar na een kwartiertje is de burgemeester er ook er en denderen we, de kinderen en de fakkel voorop, nog eens opnieuw naar binnen. Het ziet er volgens mij best goed uit, in ieder geval is er veel applaus. Het vuur brandt, een kind van de vierde generatie leest een gedicht, voorzitter Betto Meijer van het Oranjecomité Warffum en burgermoeder Marijke van Beek speechen, Richard van der Werff bedankt iedereen namens euh, iedereen denk ik, er worden foto's gemaakt, er zijn goodiebags voor de kinderen en ten slotte een Chinese maaltijd voor de lopers en veel Warffumers.
 
Tegen kwart voor zeven ben ik weer thuis, iets meer dan vierentwintig uur nadat ik op weg ging naar het gemeentehuis. Een kleine investering voor zeventig jaar vrijheid, lijkt me.

afbeelding van Bert

De Eemsmondloop 2017 werd mede mogelijk gemaakt door:

Landjuweel aardappelen Scherer Gevoel voor wonen Taxi UVO touringcar
Autobedrijf Sietsema Koop Straal- en Coatingbedrijf Buikema Schildersbedrijf
Veldman Bouwbedrijf Jasper Scholtens Timmerwerken Autobedrijf Den Hartogh
H. Pilon Assurantiekantoor Zijlstra Sport Kantoor Vreugdenhil
Coop Verstraete supermarkt Architect Nienhuis Sikkema Bouw
Cafetaria Coralie Boogtools Eemshaven Tandartsenpraktijk Uithuizen
Lentemaheerd Autobedrijf Harry Kremer Nico Transport
Accountantskantoor Spijk B.V. Aannemersbedrijf Sietsema Makelaardij-hypotheken&assurantie Poort & Woltjer
De Splinter Tuinhoutcentrum en blokhutspecialist Goudgewas Visrestaurant- Kegelbanen tGemeentehuis Usquert
Lourens Landbouwmechanisatie Gemeente Eemsmond 100% fit Accuservice Lijnema
Prevent IVG   Woortman Elektrotechniek